3. Everswolde na 1600
* Het eerste deel van dit artikel is opgenomen in de Nieuwe Drentse Volksalmanak 1981 (jrg. 98), p. 38-60.

a. Oorsprong en verdwijning van de naam Everswolde.

De naam Everswolde komt voor het eerst voor als Everdeswalda in de nadere overeenkomst over de verkoop van de achtentwintig weren ten oosten van de Hunze door de buren van Zuidlaren aan het klooster van Aduard in 12641. In deze acte staat dat de achtentwintig door Zuidlaren verkochte weren gelegen zijn `ad aquilonarem pertem grangie in Everdeswalda', aan de noordzijde van het voorwerk te Everswolde. In de koopacte van 1262 (zie p. 39 van de voorgaande almanak), welke over hetzelfde gebied handelt, wordt Everswolde niet genoemd. Mogelijk is deze naam eerst ontstaan in de eerste jaren dat de monniken van Aduard zich op het veen vestigden.
Wat betekent Everswolde? Volgens het Middelnederlandsch Woordenboek van Verwijs en Verdam is een ever een vaartuig of vrachtschip. Ook kan het veerschip of roeiboot betekenen2. De toevoeging `wolde' duidt op het bosachtige karakter van de zandrug waarop de kloosterlingen zich vestigden. In deze streek moet men er meestal berken, elzen en struikgewas onder verstaan3. Vermoedelijk bestond op het zand ook hoog opgaand loofbos (zie p. 16 hierna), in ieder geval stond ook in de negentiende eeuw nog een aanzienlijk stuk bos op het Zuidlaarderveen.
Vervoer van en naar het Hunzeveen geschiedde aanvankelijk vooral per schip. Wegen waren er immers niet of nauwelijks, zoals uit de acte van 1264 blijkt4. Het is erg verleidelijk om in de turfscheepjes van de kloosterlingen de `evers' te zien waaraan Everswolde zijn naam zou kunnen ontlenen. Het woord `ever' is in deze betekenis echter niet in de stukken betreffende Everswolde aangetroffen. Een andere, meer voor de hand liggende verklaring kan zijn dat Everswolde eenvoudig een bosrijke streek was met een overvloed aan everzwijnen. Welk gebied werd aangeduid met Everswolde?
Tot 1500 zijn er slechts zeven stukken waarin de naam Everswolde voorkomt. Vier maal in het Oorkondenboek van Groningen en Drenthe, twee maal in het cartularium van Selwerd, en een maal in het archief van het Heilige Geestgasthuis. In vier van de zeven gevallen wordt Everswolde genoemd in verband met de Aduarder bezittingen aldaar5, in één geval sluit Everswolde samen met andere dorpen een overeenkomst betreffende waterlozingen6, en in een ander geval koopt het Heilige Geestgasthuis veen te Everswolde7.
Daarnaast zijn er een groot aantal middeleeuwse acten die eveneens betrekking hebben op het Zuidlaarder gebied ten oosten van de Hunze, waarin echter de naam Everswolde niet voorkomt8. Dit zijn vooral koopacten van de kloosters van Selwerd, Warffum, Wijtwerd etc. Deze acten hebben alle betrekking op gebieden ten noorden van het Aduarder veen. Bij twee koopacten van 1459 verwerft Aduard veenbezit in de Zuidlaarder marke zonder dat van Everswolde sprake is9. In beide gevallen echter gaat het om veen nabij de Groeve, veel noordelijker dan het oorspronkelijke Aduarder gebied. Hieruit kan worden afgeleid dat van het huidige Zuidlaarder gebied ten oosten van de Hunze slechts het zuidelijke deel Everswolde werd genoemd. Dit deel was het Aduarder veen, dat van 1594 tot 1617 eigendom was van de provincie van Stad en Lande, en dat in 1617 in handen kwam van de stad Groningen.
De conclusie die G. Overdiep trekt uit enkele brieven behorende bij de grondschattingsregisters van 1642, dat Everswolde behalve Zuidlaarderveen ook Annerveen en Eexterveen zou hebben omvat10, is onjuist. Uit de zestiende eeuwse verbalen van de goorspraken blijkt dat reeds toen onderscheid werd gemaakt tussen Everswolde, Annerveen en Eextervee11. Uit 1564 dateert een lijstje van plaatsen in het dingspil Oostermoer die niets `aan te geven' hadden op de goorsprake. Achtereenvolgens worden genoemd: Bunne12, Bunnerveene, Annerveene, Exte, Everswolt13. Annerveen en Everswolde waren dus twee afzonderlijke buurschappen. Daar Annerveen ten noorden aan het Zuidlaarder veen grensde, kan men niet anders concluderen dan dat Everswolde in het algemeen alleen het zuidelijke deel van Zuidlaarderveen omvatte.
In een aantal gevallen heeft Everswolde echter een iets ruimere betekenis. Dit blijkt al uit het feit dat in 1455 het Heilige Geestgasthuis veen verkrijgt in Everswolde. Het is onwaarschijnlijk dat dit gebied in het Zuidlaarderveen lag14. Eerder moeten we het situeren in het meest noordelijke deel van Annerveen, dus onmiddellijk ten zuiden van de Hilligjes-sloot15.
Everswolde wordt eveneens in een iets ruimere betekenis gebruikt in een aantal Groningse bronnen, met name in de rentmeestersrekeningen van Johan Clant (1595-1598), en in de Stadsrekeningen (1617-ca. 1670)16. Hierin rekent men ook de twee Aduarder, c.q. stadsmeiers in het noordelijk deel van Annerveen onder Everswolde.
Samenvattend kan gesteld worden dat Everswolde gewoonlijk het zuidelijke deel van Zuidlaarderveen omvatte en in enkele gevallen, vooral in Groningse stukken, tevens het noordelijk deel van Annerveen.
Aan het einde van de zestiende eeuw begon de naam Everswolde langzaam plaats te maken voor Zuidlaarderveen. Dit proces heeft ongeveer een eeuw geduurd. Het is begonnen vanuit Drenthe en is na verloop van tijd ook tot de Groningse geschriften doorgedrongen. Drie factoren, in de onderstaande volgorde van belangrijkheid, hebben mogelijk tot de verdwijning van de naam Everswolde bijgedragen. In de eerste plaats werden in 1594 bij de secularisatie van de kerkelijke goederen alle bijzondere voorrechten van de kloostermeiers afgeschaft. Hierdoor viel een belangrijke bron van conflicten tussen Zuidlaren en de veenmeiers weg, en werd de band met de landschap Drenthe aanzienlijk sterker. Voor het eerst hoorde Zuidlaarderveen echt bij Zuidlaren. In de tweede plaats heeft tijdens de tachtigjarige oorlog een sterke ontbossing van het gebied plaatsgevonden. Tegenover de rentmeester Johan Clant verklaarde Egbert Warmolts, de meier op de Aduarder hof in 1595, dat hij tijdens het beleg van Groningen uit zijn eigen bos zes bomen en driehonderd takkebossen had verkocht17. Burgemeesters en Raad van de stad Groningen benoemden in 1617 twee raadsheren om te bezoeken `d' holtinge toe Everswold, ende wth te sien welcke tot des stadts proufijt vercofft zullen worden', de raadsheren kregen tevens opdracht van deze houtverkoop `anplackinge' te doen18. De holtinge was de kap van hout, op gezette tijden in het jaar19. Ook in andere gevallen is sprake van houtverkoop. Ruim tweehonderdjaar later, in 1832, is van het bos nog slechts een schamel restant over. In het hele Zuidlaarder gebied ten oosten van de Hunze, ruim 780 hectare groot, ligt dan nog ruim 13 hectare bos. Hiervan ligt bijna 10 hectare in het zuidelijke deel. Het grootste stuk bos (2,66 hectare) ligt dan nog steeds rond de Aduarder hof20. Het toevoegsel `wolde' in Everswolde is in de loop der tijd steeds minder van toepassing geworden.
In de derde plaats rijst het vermoeden dat het centrum van de bewoning op het Zuidlaarderveen in de loop van de zeventiende eeuw verder naar het noorden is verschoven. In het gebied van de huidige dorpskern vestigden zich in deze tijd mensen die hun hoofdmiddel van bestaan niet in de landbouw of turfgraverij vonden, doch in ambachten. De huidige dorpskern ontstond aan de noordrand van Everswolde, en daardoor kwam er de behoefte aan een nieuwe naam.
Dat na de invoering van de hervorming in Drenthe in 1598 de naam Everswolde al geheel verdwenen zou zijn, zoals J. Naarding stelt21, is onjuist. Zelfs in.Drentse stukken vinden we Everswolde nog in 1622; het wordt dan een buurschap genoemd22. In de stadsrekeningen van Groningen, waarin de pachtinkomsten die de stad uit Zuidlaarderveen genoot van jaar tot jaar staan vermeld, komt Everswolde zelfs in 1668 nog voor23.
Zuidlaarderveen komt voor het eerst voor in de goorspraken van 159924 en is daarna in Drenthe al snel de gangbare naam voor het gebied.

b. Zuidlaarderveen van 1594 tot de verkoop van de Stadsvenen in 1710.

Wanneer in 1594 de kloostervenen in handen geraken van de provincie van Stad en Lande, is de toestand van de veenmeiers miserabel. In de zomer van 1593 lag de Spaanse veldheer Verdugo met 4000 man voetvolk en 500 ruiters te Zuidlaren25. Het jaar daarop trekt hetzelfde leger van Zuidlaren over de Groeve naar de Ommelanden 26. Dit alles moet een enorme overlast tot gevolg hebben gehad voor de boerenbevolking in deze streken, hetgeen ook blijkt uit de betreffende rentmeestersrekeningen.
Zoals hiervoor reeds vastgesteld werd, was de turfgraverij te Everswolde aan het einde van de zestiende eeuw het belangrijkste middel van bestaan. Hoewel Zuidlaarderveen in regionaal verband bezien een belangrijke plaats innam op het gebied van `turfexport', werd het relatieve belang van deze streek ten opzichte van andere gebieden in de loop der zeventiende eeuw steeds minder.
Dat kwam vooral door de grootse aanpak van de vervening door de stad Groningen in het gebied van Foxhol en Sappemeer. In 1619 werd de eerste turf uit Foxhol aangevoerd, en in dezelfde periode werd begonnen met het graven van een kanaal naar Winschoten om de tussenliggende venen te ontsluiten 27.

De eerste ontginningen op het Zuidlaarderveen waren vermoedelijk laagveenontginningen28a. Het moerassige gebied tussen de zandrug en de Hunze kwam het eerst in aanmerking voor ontginning omdat vervoer van turf van hieruit gemakkelijker was, dan vanuit het verder weg gelegen hoogveen ten oosten van de zandrug. Het is belangrijk om te bedenken dat het laagveen vooral ontwaterd werd door het graven van sloten en het afgraven van de turf, maar dat van werkelijke ontginning op grote schaal vóór de achttiende eeuw geen sprake was. Dit blijkt ook uit de grote hoeveelheid woeste grond die nog volgens de kadastrale opmetingen in 1832 voorkwam. Vermoedelijk werd het hoogveen eerst ontgonnen, nadat in de achttiende eeuw vanaf Groningse zijde het Kielsterdiep werd gegraven. Vanuit dit diep werden wijken gegraven in westelijke richting, tot aan de zandrug op het Zuidlaarderveen. Nog in 1832 was veel grond langs deze wijken in het Zuidlaarder gebied eigendom van boeren op de Kiel.
Wanneer op het Zuidlaarderveen de balans van turfgraverij naar ontginning is doorgeslagen valt niet met zekerheid te zeggen. In ieder geval werden de huren van de venen nog tot 1710 in natura, dat wil zeggen in turf, aan de stad betaald28b.
In onderstaand staatje is te zien dat de akkers gestaag in omvang toenamen.

jaar oppervlakte
in hectares
`% van totale
oppervlakten"
bron
1605 14,97 1,9 (30)
1612 24,49 3,1 (31)
1615 30,20 3,8 (32)
1630 25,31 3,2 (33)
1643 35,92 4,6 (34)
1654 36,46 4,6 (35)
1752 68.30 8,7 (36)
1832 187,16 23,8 (37)

Tot de ontsluiting van het grote veengebied van Oost-Groningen voorzag Everswolde voor een aanzienlijk deel in de turfbehoefte van de stad. Gedeputeerde Staten van Stad en Ommelanden besloten op hun vergadering van 5 augustus 1613 om 25 schuiten turf uit Everswolde te laten halen38.
Bij de verhuring van de stadsvenen in het Oldambt gold in het algemeen als regel dat ongeveer een vierde van de turf die de pachter jaarlijks groef, als huur aan de stad werd afgestaan. De stadsmeiers te Everwolde brachten in 1624 aan huur 65 schuiten turf op39, mogelijk was de totale turfproduktie dus ongeveer 260 schuiten per jaar.
In mei 1617 kocht de stad Groningen alle bezittingen van de provincie van Stad en Lande te Everswolde. De eerste termijn van de koopsom werd in twee delen van elk ruim 1233 gulden vlot betaald 40, maar de afbetaling geschiedde eerst in 162941. Ook kocht de stad landen, venen en behuizingen van het Warffumer voorwerk in hetzelfde jaar42. Dit was het hele bezit dat de commanderij van Warffum op het Zuidlaarderveen had gehad. Ook het vroegere Aduarder veen op Annerveen ging in 1617 in handen van de stad over.
Op de stadsplaatsen kwamen in het algemeen geen nieuwe meiers. Wel moesten de pachters om de zesjaar hun land en huis opnieuw inhuren, waarbij eventueel een nieuwe huur kon worden vastgesteld. Er was één meier die geen huur behoefde te betalen, nl. degene die bij de Knijpe woonde. Dit gold in 1624 bijvoorbeeld voor Fenne bij de Cnijpe `mits dat se op hoere coste de dijck bij de knijpe und die wringe sall onderholden'43. Ondanks de gestage ontginning zoals die blijkt uit het staatje op de vorige pagina, zat het Zuidlaarderveen economisch blijkbaar toch niet mee. Nu was het niet de oorlogssituatie, maar de voordurende inundatie van de stadslanden die voor veel ellende zorgden. Deze overstromingen waren vermoedelijk vooral het gevolg van de verhoogde waterafvoer van de Hunze door het op grote schaal aan de snede brengen van het verder zuidwaarts gelegen veen. Burgemeesters en Raad van de stad Groningen protesteerden zowel in 1630 als in 1642 tegen de hoogte van de door de landschap Drenthe vastgestelde grondschatting44. Het stadsbestuur verklaarde in 1630 dat gezien de jaarlijkse huur die de stad uit de venen trekt, de schatting te hoog is. Ridderschap en Eigenerfden van Drenthe antwoordden hierop dat niet de huuropbrengst maar de waarde van het land bepalend is voor de hoogte van de belasting45.
In de gegevens betreffende grondschatting en de `impost op het gemaal`46 van 1630, krijgt men voor het eerst een vrij volledig beeld van de bevolking van het Zuidlaarderveen en de waarde van de goederen die zij in bezit of gebruik hadden.
Op het hele Zuidlaarderveen, waaronder in dit geval het hele gebied van het kerspel Zuidlaren ten oosten van de Hunze, dus inclusief het kleine Midlaarderveen, dient te worden verstaan, woonden in 1630 85 mensen, verdeeld over 18 huishoudens47. Bij de vaststelling van de bedragen voor de grondschatting valt op dat er twee stadsmeiers zijn, waarvan de aanslag zeer hoog is in vergelijking met de andere inwoners van Zuidlaarderveen. Dit zijn Roelof Ottens, bewoner van het Warffumer voorwerk in het noorden van het veen, en Berent Hindricx, de bewoner van de Aduarder hof48. Beiden betalen acht schuiten turf huur per jaar aan de stad49. Dat 18 gezinnen in 1630 nog slechts 25 hectare bouwland in gebruik hadden, geeft wel aan dat de turfgraverij nog steeds hoofdmiddel van bestaan was.
Roelof Ottens dreef handel met het Heilige Geestgasthuis in Groningen, waaraan hij regelmatig turf verkocht. Zo vond ik in de rekeningen van het gasthuis: `An Roelof Ottens op Suidtlarer veen wonende, voor drie schuite veentorff, so de vogeden van hem hebben laten copen ende door Luitien Muller schuitenschuiver laten haelen, ende int gasthuis opslaen, den 22en octob. 1632 - betaelt vier ende twintig carls.guld. vijfftien st.'50.
Uitzonderingen als de bovenstaande daargelaten, zijn er weinig gegevens om een duidelijk beeld te vormen van de turfverkoop door de stadsmeiers.
Tussen 1630 en 1642 heeft de stad bij de vaststelling van de nieuwe huur om de zes jaar, voor de meiers het `geschenk' ingevoerd. Zo moesten de meiers het recht om opnieuw in te mogen huren kopen door een geschenk aan de stad, te leveren in turf.
Vanaf 1649, toen de venen van Wildervank werden aangestoken, brandde een lange serie grensgeschillen los tussen de Landschap en de provincie van Stad en Lande. Aanvankelijk gingen deze geschillen vooral over de vaststelling van een algemene grens tussen Wolfsbarge en Ter Apel, doch na 1683 spitsen de problemen zich toe rond de grens bij Zuidlaarderveen. Het valt buiten het bestek van dit artikel om uitvoerig op deze langdurige en ingewikkelde conflicten in te gaan. Voornaamste oorzaak was de bouw van nieuwe huizen op de Lula, ten oosten van Zuidlaarderveen, waarover in 1683 op last van Gedeputeerde Staten van Stad en Lande belastingen werden geheven51. In opdracht van Ridderschap en Eigenerfden werd een commissie ingesteld om over de grensscheiding getuigenverklaringen te verzamelen. Jaren van onderhandelingen brachten de oplossing voor het conflict geen stap dichterbij. Een in october 1699 gehouden conferentie over de kwestie tussen gecommitteerden van Groningen en Drenthe had evenmin het gewenste effect25. Ook de jurisdictie over het gebied van Zuidlaarderveen en de Lula was herhaaldelijk een bron van conflicten. De schulte van Sappemeer lichtte tot grote verontwaardiging van de Drenthen tezamen met 25 bewapende soldaten een zekere Tjark Hindriks op de Lula in de nacht van 17 op 18 maart 1706 van zijn bed, omdat deze geweigerd had de 400ste penning over zijn goederen te betalen53.
Pas in januari 1713 wisten Groningen en Drenthe tot een definitieve overeenkomst over de grensscheiding te komen54. Bepaald werd dat de zgn. Semslinie, opgemeten in 1615 door de landmeter Jan Sems, voortaan als provinciegrens zou dienen. Deze Semslinie liep in een rechte lijn van Wolfsbarge naar Ter Apel, zodat de Lula niet langer tot Drenthe behoorde. Hiervoor werd in de overeenkomst echter een aparte regeling getroffen. Alle huizen die `op de geheele uitstreck van de zoo genaamde Oldenseelse veenen' stonden aan de Groningse kant van de Semslinie, en nog enkele andere huizen in de omgeving zouden voor de helft belastingplichtig aan Groningen en voor de helft aan Drenthe zijn55. Hiervoor werd een aparte belastingambtenaar aangesteld. Drie huisjes bij Wolfsbarge, en het huis op de Vossenburg, alle ten oosten van de Semslinie gelegen zouden belastingplichtig aan Drenthe blijven.
Deze overeenkomst was zonder meer nadelig voor Drenthe, dat de Lula verloor, en dat vanouds gewoon was zijn territoriale rechten te laten gelden zover de meiers op het veen hun gebruiksrechten in oostelijke richting lieten gelden, dus veel verder dan de Semslinie. Na 1713 zouden de bijzondere belastingbepalingen in het gebied tussen Zuidlaarderveen en de Lula tot gevolg hebben dat enkele huizen in het grensgebied beruchte smokkelaarsnesten werden56.
De talloze geschillen die in de loop van de zeventiende eeuw ontstonden tussen de `Oostermoerse veengenoten' en het machtige schuitenschuiversgilde uit de stad Groningen kunnen hier grotendeels onbesproken blijven, daar alleen in het begin van de eeuw Zuidlaarderveen er direkt bij betrokken was.
In 1612 werd tussen de schuitenschuivers en de veenlieden van Zuidlaren, Annen, Eext, Gieten en Bonnen een contract gesloten waarin het feitelijke monopolie van het schuitenschuiversgilde op de turfvaart op de Hunze nog eens werd bevestigd. In de overeenkomst werden prijzen vastgesteld voor het vervoer van turf en hooi van sluis tot sluis57. Belangrijke achtergrond van de overeenkomst was dat de Drenthen geen turf zouden aanbieden aan anderen dan de schuitenschuivers, en dat in de stad Groningen geen andere turf dan Drentse turf zou worden verkocht58. Toen na het midden van de eeuw de ontginning van het veen bij Gasselte op grote schaal werd aangepakt, en de handel op de Hunze en het transport van turf aanzienlijk toenam, werd de bestaande overeenkomst zeer nadelig voor de Drenthen. Ook schippers uit andere streken, zelfs uit Friesland, wilden een graantje meepikken van de opbloeiende handel. Daarvoor moest echter het monopolie van de schuitenschuivers, dat contractueel was vastgelegd, worden doorbroken. Van Drentse kant werden daarom op 1 november 1663 alle contracten opgezegd59. Na de opzegging van de contracten nam de handel op de Hunze enorm toe. De schuitenschuivers beschouwden de eenzijdige opzegging echter als onrechtmatig en stelden alles in het werk om de vrije vaart op de rivier te belemmeren. Voor deze handelwijze zocht het schuitenschuiversgilde steun bij het stadsbestuur van Groningen, welke het inderdaad verkreeg. Vele Drentse, Friese en Ommelander schippers werden in de stad Groningen gearresteerd en beboet. Uiteindelijk besloten Friesland, de stad, Drenthe en de Ommelanden de zaak voor te leggen aan de Staten-Generaal60. Deze besloot op 13 december 1667 dat de vaart op de Hunze `vrij' zou zijn. De schuitenschuivers legden zich hier niet bij neer. In 1677 brachten leden van het gilde een vernauwing aan in de Hunze bij de Groeve, zodat alleen de smalle Groningse bokken nog konden passeren en niet de grotere Drentse schepen61.
Ook naar aanleiding van een door Drenthe geheven uitvoerbelasting op turf ontstond een geschil. In 1681 brak een staking uit; de schuitenschuivers weigerden eendrachtig om nog turf uit Drenthe naar de stad te vervoeren, zolang de belasting gehandhaafd bleef62. Enkele schuitenschuivers die de boycot van het turftransport doorbraken, werden in Groningen gestraft met verbeurdverklaring van hun turf aan de diakonie63. De macht van het schuitenschuiversgilde was echter een aflopende zaak. Hoewel de geschillen over de belasting op het turftransport voortduurden tot diep in de achttiende eeuw zijn de schuitenschuivers er nooit in geslaagd hun oude voorrechten te herstellen. Na 1612 speelt Zuidlaarderveen in deze geschillen geen rol van betekenis meer. Wanneer er later nog sprake is van de `Oostermoerse veengenoten', dan worden de veengenoten van Annen, Eext, Gieten, Bonnen en Gasselte bedoeld. De rol van Zuidlaarderveen was uitgespeeld, doordat vanaf 1617 het grootste deel van dit gebied in handen was van de stad Groningen, die immers de belangen van het schuitenschuiversgilde verdedigde64.
De gestage verandering in de economische situatie van het Zuidlaarderveen door de overschakeling van turfgraverij op landbouw raakte in de tweede helft van de zeventiende eeuw in een stroomversnelling. Uit de op- en neergang van de huurinkomsten die de stad Groningen uit het Zuidlaarderveen genoot, kan men met enige voorzichtigheid conclusies trekken over het wel en wee van de turfgraverij in dit gebied. Onderstaande tabel geeft de huur in schuiten turf van de meiers in het Zuidlaarderveen; de twee stadsmeiers op Annerveen zijn niet meegerekend. De `geschenken', alsmede enkele huuropbrengsten in geld zijn buiten beschouwing gelaten.
Huurinkomsten van de stad Groningen uit Zuidlaarderveen 1620-1692
De sterke daling van de huuropbrengst tussen 1620 en 1630 was vermoedelijk het gevolg van een algemene economische terugval zoals die ook uit de tabel blijkt.

jaar schuiten jaar schuiten
162065 69 165471 641/2
162466 65 166872 62
163067 46 167273 63
164268 50 167974 621/2
164569 60 168875 544
164870 66 169276 501/2


Tussen 1642 en 1645 werd een drastische huurverhoging doorgevoerd; mogelijk een verlate reactie op de stabilisering van de economische toestand na 1630. Na het midden van de eeuw daalt de turfopbrengst langzaam maar zeker. Het aantal volle boeren, dat wil zeggen boeren met vier paarden, daalde tussen 1672 en 1692 van 9 naar 577. Ruim zeventig jaar later, in 1764 was het aantal vierpaardsboeren zelfs tot nul gedaald78. Tegelijkertijd vond een aanzienlijke bevolkingstoename plaats. Het aantal huishoudens te Zuidlaarderveen steeg van 23 in 1692 tot 38 in 174379, het inwonertal van circa 120 tot ruim 20080. Tussen 1654 en 1752 vond bijna een verdubbeling plaats van de hoeveelheid landbouwgrond, terwijl de turfgraverij vermoedelijk naar evenredigheid is afgenomen. Uit de registers van de haardstedentelling blijkt een aanzienlijke verarming van de inwoners. Het aantal boeren in de lagere belastingklassen nam aanzienlijk toe, terwijl het aantal driepaardsboeren en vierpaardsboeren steeds verder achteruit ging81. Uit de haardstedentelling kan men het verloop van de gemiddelde draagkracht per huishouden afleiden. Deze gemiddelde draagkracht daalde tussen 1692 en 1743 van f 2,78 tot f l,89, dat is 32%82.
Het aantal drie- en vierpaardsboeren daalde tussen 1692 en 1743 van 70% naar 26%83. Aan het einde van de zeventiende eeuw rees het plan om de stadsvenen te Zuidlaarderveen en Annerveen te verkopen84. Welke precies de motieven zijn geweest om tot dit plan te komen is niet duidelijk, vermoedelijk had de stad Groningen gebrek aan liquide middelen.
Hoewel het principebesluit al in 1697 werd genomen85, vond de eigenlijke verkoop eerst in 1710 plaats. Burgemeesters en Raad van Groningen besloten de venen bij uitmijning te verkopen in het Heren-Wijnhuis, de eerste maal op donderdag 13 februari 1710, de tweede maal op dinsdag 18 februari. Het stadsbestuur had een beschrijving van de stadsplaatsen en de verkoopvoorwaarden laten drukken en de kaart van de landmeter H. Bierum, die in 1676 een nauwkeurige kaart van een groot deel van het gebied had gemaakt, lag ter inzage86.
In het drukwerkje werden de stadsvenen als volgt beschreven:

 l. Op Zuytlarer Veen.
Seeventien mudden bouwlant en achtien matten hooylandt, met de stadsbehuysinge daerop staende, mitsgaders boomen en plantagien, veen en velt, so by Roelef Ottens en Geert Roelefs repraesentanten is gebruyckt aen deese zijde van Oldenzeel geleegen, met de jaerlijekse grontpagt --- à 6 gl jaerlijks.
by solliciteur Lenting, als mede de kampen --- voor 7 gl. 10 st. by den selven gebruykt, niets uitgesondert tot aen de wester swette van het uitgedane veen.
Volgende plaetsen worden tot meerder naerigtinge alhier gestelt soo als deselve te boecke bekent sijn, alsmede op de gemaeckte kaerte door de ingenieur en landtmeeter Berum ao 1676 gemaeckt, waervan de koopers copye en visie konnen bekoomen so se deselve begeeren. Verders soo als in haer eynden en swetten te veen en te velde sijn gelegen en by de meyers respective gebruyckt wordt, soo wel in opzight van het gedeelde velt als ongedeelde, mede op de kaerte geëxprimeert, boomen, plantagie, etc.
Vijf mudden bouw- en drie en een half matten hooylandt, by Jan Coerts wordende gebruyckt.

Seven mudden bouw- en drie en een half matten hooylandt en toebehoorende veenen, by Hillebrand Jans nu Lucas Willems en Harmen Hindricks gebruickt.
Thien mudden bouw- en ses matten hooylandt met toebehoorende veenen by Geerts Jans ten Velde gebruickt met de stadsbehuisinge daerop staende.
Vier mudden bouw- en ses matten hooylandt en toebehoorende veenen, nevens de stadtsbehuisinge by Harmen Geerts gebruickt.
Ses mudden bouw en drie matten hooylandt en toebehoorende veenen met de behuysinge etc. by Jan Berents gebruickt.
De landeryen soo als deselve by Harmen Jansen Soet gebruickt worden, gevende jaers tot huyre 38. gl. 10. stuyvers.
Acht en een halve bouw- en vier matten hooylandt en toebehoorende veenen, als oock de knipe-Dijck met de stadtsbehuisinge, by Roeof Jaspers gebruickt.
Elf mudden bouw- en twee en twintigh matten hooylandt, met de toebehoorende veenen en behuysinge op het Aduwerder Hof etc. By Jan Jans en Willemtjen Roelofs gebruickt. Ses mudden bouw- en twee matten hooylandt met toebehoorende veenen en stadsbehuysinge, by Cornelis Hovings gebruickt.
Negen mudden bouw- en vijf matten hooylandt met toebehoorende veenen en behuysinge, by Boele Tamels, wegens Jan Jansen Soets kinderen gebruickt.
N.B. Op de kaerte kan mede gesien worden hoe veel grasen gedeelt velt by yder plaetse is.

(Volgt de beschrijving van de twee stadsplaatsen op Annerveen)87.

Toen Drost en Gedeputeerden van Drenthe lucht kregen van de op handen zijnde verkoop van de stadsplaatsen protesteerde men onmiddellijk bij het Groninger stadsbestuur. Wat was namelijk het geval? De stad wilde de stadsvenen verkopen tot aan de provinciegrens, zoals die volgens Groningen liep, om zo bij de lopende onderhandelingen over de grenskwestie een precedent te kunnen scheppen88. Volgens de Drenthen strekten de stadsplaatsen zich veel verder oostwaarts uit, tot ver over de in 1615 afgebakende Semslinie. Al op 15 mei 1688 was een bevel uitgevaardigd dat verkopingen van venen en landerijen te Zuidlaarderveen moesten geschieden onder toezicht van de schulte van Anloo, en niet van die van Sappemeer89.
Een week voor de verkoop van de stadsplaatsen, op 6 februari 1710, vaardigden Drost en Gedeputeerden een plakkaat uit tegen de verkoop, waarin duidelijk werd gemaakt dat de Landschap zich door de verkoop niet in haar territoriale rechten zou laten beknotten90. De verkoop ging echter gewoon door ondanks de Drentse protesten.
Zes voorname Stad-Groningers kochten elk voor één zesde de stadsplaatsen, burgemeester Harmen Wolters, de raadsheren Joseph Trip en Bernhard Gerlacius, de rentmeester Gerhard Gerlacius, de weduwe van de ambtman Daniel Tjassens en Luitjen Wijbes91.
Het gebied was nu in particuliere handen, en aan de bijzondere positie die het oude Everswolde vier en halve eeuw had ingenomen, was een einde gekomen.
Tot op de dag van vandaag draagt het landschap van Zuidlaarderveen echter de sporen van een primitieve, middeleeuwse kolonisatievorm. `Verspreid kwamen de boerderijen

ten oosten van de Hunze te liggen, gescheiden door woeste gronden, heide of laag hout, dat lang bleef bestaan. Later kwamen de boerderijen meer aan de weg te liggen, welke in de lengte over de zandrug liep en het geheel werd een weg-veenkolonie als Kropswolde. Ook in hun tegenwoordige vorm dragen deze nederzettingen een enigszins wanordelijk karakter. De weg verloopt bochtig door de nederzettingen. In vele gevallen missen de landerijen het opstrekkende van de veenkoloniale aanleg, en de breedte van de percelen wisselt zeer sterk. Ook zijn de boerenhuizen niet alle langs de weg gegroepeerd, maar verschillende liggen meer of minder diep het land in, en maken dan bijna de indruk van `Einzelhofe', gelegen te midden van hun landerijen. Soms vertoont het landschap zelfs enige overeenkomst met dat van de Hondsrug (bijv. tussen Zuidlaaderveen en de Knijpe): brede karresporen, wallen begroeid met bramen en andere'struiken, holle wegen, kleine keuterbedrijfjes, midden in het veld geplaatst, kleine perceeltjes woeste grond, alles te zamen een slordige nederzettingsvorm, en een nodeloze verspilling van cultuurgrond, die met de planmatige, economisch opgezette koloniën in het centrale deel enigermate een contrast vormt'92a. Sinds H. J. Keuning dit in 1933 schreef is er veel veranderd op het Zuidlaarderveen; de slordige nederzettingsvorm is echter gebleven.

c. De Aduarder hof

Wanneer in dit artikel sprake is van de Aduarder hof, dan wordt steeds de plaats bedoeld, die in de tweede helft van de zestiende eeuw door Warmolt Hovinge werd bewoond, en op de kaart van Bierum uit 1676 door Willem Jans in de Busch. Er is reden om aan te nemen dat de allereerste vestiging op het Zuidlaarderveen, welke in de acte van 1264 met `grangie', dat is voorwerk, wordt aangeduid, niet op dezelfde plaats was gelegen. In dezelfde acte is er immers ook sprake van dat de 28 aangekochte weren ten noorden van het voorwerk liggen 92b. Vanouds echter was de Hilligjessloot, de Gronesbeke, de zuidgrens van het veen van Aduard, en de latere Aduarder hof lag een flink stuk noordelijker. Ten opzichte van die plaats lagen de 28 weren dus zowel ten noorden als ten zuiden.
Aan de zuidrand van het aangekochte gebied moet dus het voorwerk hebben gelegen. Daar lag een hoeve, die vele honderden jaren bewoond werd door een geslacht met de veelzeggende naam Hoving93. Als eerste vestigingsplaats komt deze hoeve dus eerder in aanmerking dan de Aduarderhof.
De ligging van deze latere Aduarderhof was bijzonder goed gekozen. Aan de westkant lag de Hunze; vlakbij was de Knijpe en een voorde door de rivier lag iets ten noorden daarvan. Aan de oostzijde lag de zandrug, waarop de meeste hoeven waren gelegen. De hof zelf lag iets hoger dan de omgeving, juist boven de hoogtelijn van 2.50 meter 94. De Aduarder hof was omgeven door een flink stuk bos en het erf zelf was mogelijk omgeven door een soort gracht95.
Aan de machtige positie en de bijzondere voorrechten zoals belastingvrijdom96 van de hofmeiers, kwam na de onteigening van de kloostervenen in 1594 een eind. Toch bleven de Aduarderhof en ook het in het uiterste noorden van het veen gelegen Warffumervoorwerk in de zeventiende eeuwse belastingregisters opvallen door de hoge aanslagen die ze moesten betalen. Deze twee erven staken met kop en schouders boven de andere erven uit.

stadsvenen1676.gif (328658 bytes)  klik kaartje voor uitvergroting
DE STADSVENEN in 1676
Ten noorden van OIdenzeel lag de twaalfde stadsplaats, nl. het Warffumer voorwerk. 

(noorden is links op kaart)

 In 1630 werde de totale waarde van de plaats van Berent Hindrix, dat is de Aduarder hof, geschat op f 5200, die van Roelof Ottens op het Warffumer voorwerk op f 4500, terwijl de stadsmeier Gerlof Jacobs op de derde plaats slechts een erf gebruikte met een waarde van f 270097. Berent Hindrix betaalde 8 schuiten turf aan huur per jaar98. De oppervlakte bouwland die bij de Aduarderhof behoorde nam slechts langzaam in omvang toe; in 1617 11 mud, in 1630 12 mud en in 1654 bijna 14 mud.
Bij de grondschatting van 1646 en 1654 werd de waarde van het huis en de hof van elke plaats nauwkeurig bepaald. De Aduarderhof is zowel in 1646 als in 1654 de enige plaats op Zuidlaarderveen, waarvan de hof hoger in waarde wordt geschat dan het huis99. Het huis op de Aduarderhof wordt zelfs iets lager aangeslagen dan dat van de rijke veeneigenaar Gosen Jans Oldenziel. Het Warffumer-voorwerk komt pas op de derde plaats.
In de tweede helft van de zeventiende eeuw voegen de bewoners van de hof `in de busch' aan hun naam toe, hetgeen wijst op de opvallende hoeveelheid bos rond de hof. In 1710, bij de verkoop van de stadsvenen, wordt voor het laatst de naam Aduarderhof gebruikt. Uit de huwelijken die de bewoners van de hof sloten met aanzienlijke boerengeslachten uit Zuidlaren, blijkt dat de meiers toch nog over veel aanzien beschikten. Zo trouwde Willen Mans in de Busch in 1676 met Willemtjen Wierdinge en Roelof Willems Bos in 1723 met Willemtjen Roelfs Tammink, uit één van de rijkste boerenfamilies uit de omgeving100. Vooral dit laatste huwelijk was belangrijk, omdat door vererving ook de Aduarderhof in de loop van de achttiende eeuw voor de helft aan het bezit van de Tamminks werd toegevoegd. De andere helft is in 1832 in handen van Jan Jans Gortmaker, die zich ook wel Mulder noemt101.
Na de dood van Harm Tammink valt in 1844 bij loting tussen zijn erfgenamen Egbert Pelinck en Roelof Tammink de helft van de boerenplaats toe aan Roelof Tammink102. De gehele plaats wordt in het hypotheekregister gewaardeerd op f 10.000.
In 1875 vindt scheiding en deling van het bezit plaats. De partijen zijn Willem Breemhaar, als gemachtigde van Harm Tammink, voor de ene helft, en de erven Mulder voor de andere helft.
De erfgenamen verklaren alles te willen scheiden en delen behalve het huis, erf, tuin en schuur, welke goederen voor geen geschikte verdeling vatbaar worden geacht. Deze vaste goederen worden verkocht.
Op 24 juni 1876 koopt Willem Breemhaar het huis en erf voor zichzelf. Het jaar daarop wordt het huis gesloopt. Aanvankelijk is het stuk grond in gebruik als weiland, later als bouwland.
Wanneer de erfgenamen van Breemhaar in 1899 diens goederen verkopen, wordt het perceel bouwland waar eens het huis stond `het oude huisstee' genoemd 103. Daarmee komt aan de geschiedenis van de Aduarderhof een eind.

BIJLAGE 

De bewoners van de Aduarderhof 1458-18071

van tot
Thiart, hoffmeister te Evereswolt 14582
Johan van Monster 14933
Johan Roess 15274
Warmolt Hovinge 1564 1587
Egbert Warmolts Hovinge 1595 1597
Albert Reiners 1612 1629
Berent Hindricx 1630 1668
Willem Jans in de Busch 1672 1691
wed. Willem Jans in de Busch 1692
Jan Jans in de Busch 1693 1715
Jan Hindricx 1742
Geert Roelofs 1752 1754
Harm Geerts 1764 1774
Jan Harms 1784
wed. Jan Harms 1794 1807

 


Eigenaren van de Aduarderhof (1262) -1877

het klooster Aduard (1262) 1594
de provincie van Stad en Lande 1594 1617
de stad Groningen 1617 1710
wed. Roelof Bos,5 1742 1752
Harm Tammink / Jan Jans Gortmaker 1807 1844
Roelof Tammink / Jan Jans Gortmaker 1844 1849
Erven Mulder (=Gortmaker)/Erven Tammink 1849 1876
Willem Breemhaar 1876 1877

1 Het betreft hier vermeldingen van de bewoners; in 1323 is sprake van een Eneko Hermonnisma, voorwerkleider in Wolfsbarge,'qui pro tempore fuit in Everdeswalda' (OBGD 1, no. 277). Mogelijk leidde hij ook in Everswolde de ontginningen; in dat geval woonde hij misschien op de Aduarderhof.
2 Selwerd, regest no. 175. 

3 Selwerd, regest no. 394. 

4 Wijtwerd, regest no. 125. 

5 Roelof Bos was waarschijnlijk een zoon van Jan Jans in de Busch.

 

NOTEN 

1 OBGD 1, no. 135.
2 Middelnederlandsch Woordenboek, 11757; Nieuw Groninger Woordenboek, 216.
3 H. M. Luning. Zij hielden de lampe staande (Groningen, 1977), 17.
4 Het klooster verkreeg hierin nl. toestemming om voor het vervoer van turf wegen naar Wolfsbarge aan te leggen.
5 OBGD 1, no.'s 135 en 168; Selwerd, regesten no.'s 175 en 394.
6 OBGD 1, no. 330.
7 C. E. C. Bruining, Inventaris en regestenlyst van het archief van het Heilige Geestgasthuis te Groningen (Groningen, 1910, in handschrift) (hierna te noemen archief Heilige Geestgasthuis) no. 38. Dit archief bevindt zich op het gemeente-archief van Groningen.
8 Dit zijn enkele tientallen acten uit het archief van de Commanderij van Wijtwerd en het cartularium van Selwerd.
9 Selwerd, regesten no.'s 194, 195.
10 G. Overdiep, `Everswolde', Driemaandelijkse bladen, XV (1963)91, 92.
11 Goorspraken, I 174; 111 49; IV 85; V 212. Eexterveen wordt al genoemd in 1478 (Ordeiboek 1399-1516, 122). 12 Dit is het dorp Bonnen bij Gieten.
13 Goorspraken, 1 174.
14 De zuidgrens van het door Aduard gekochte gebied werd in 1262 en 1264 immers gevormd door de Gronesbeke. Welke waterloop kan hier anders mee bedoeld zijn dan de latere Hilligjes-sloot? Zie ook de rentmeesterrekening van 1595 van Johan Clant (archief der Staten van Stad en Lande (SvSL), no. 2307).
15 Op het meest noordelijke erf van Annerveen woonde een meier van het gasthuis. Zie o.a. het grondschattingsregister van 1630, O(ude)S(taten)A(rchieven), no. 841 (xeroxcopie), 23.
16 SVSL, no.'s 2307-2309; Oud Archief Gemeente Groningen (OAGG), no. 332r. 
17 SvSL, no. 2307.
18 Resolutie van Burgemeesters en Raad van de stad Groningen van 31 maart 1617. 
19 Middelnederlandsch Woordenboek, 111660.
20 Archief van het kadaster in de provincie Drenthe, inv. no. 57. (R.A.Drenthe). 
21 J. N aarding, Grepen uit de historie van Zuidlaren (Zuidlaren, 1969) 21, 25.
22 OSA, no. 1775, 1622/23, bijlagen bij f.61.
23 OAGG, no. 332r, Stadsrekening 1668, 115 e.v. 
24 Goorspraken, V 72.
25 G. Overdiep, De Groninger schansenkrijg (Groningen, 1970) 66. 
26 Ibidem, kaart van de militaire situatie in 1594, achterin dit boek.
27 W. J. Formsma, e.a., Historie van Groningen, Stad en Land (Groningen, 1974) 338. 
28a H. J. Keuning, De Groninger veenkoloniën (Amsterdam, 1933) 41.
28b OAGG, no. 332r.
29 De totale oppervlakte van het Zuidlaarder gebied ten oosten van de Hunze bedroeg in 1832 765,33 hectare. Dit is de totale oppervlakte van de kadastrale sectie D, C(exclusief het kleine deel van deze sectie dat tot de marke Midlaren behoorde) en een deel van de sectie B, nl. het stuk dat niet tot de Midlaarder marke behoorde.
30 OSA, no. 620. 
31 OSA, no. 621. 
32 OSA, no. 620. 
33 OSA, no. 841. 
34 OSA, no. 845. 
35 OSA, no. 845. 
36 OSA, no. 858.
37 Archief kadaster Drenthe, inv.no. 57.
38 Resolutie van Gedeputeerde Staten van Stad en Ommelanden, 5 augustus 1613. 
39 OAGG, no. 332r, Stadsrekening 1624, lii e.v.
40 SvSL, no. 2320, 1617, f.565r,v. 
41 Register Feith, 1629 no. 4.
42 SvSL, no. 2321, 1618, f.545r.
43 OAGG, no. 332r, Stadsrekening 1624, lii e.v.
44 OSA, no. 6,1173 (1630); no. 845 (xeroxcopie), Zuidlaren, 325, 326. 
45 OSA, no. 6,1173.
46 J. Heringa, `De bevolking van Drenthe in 1630', in: N. D. VA. 1977, 49 e.v. De impost op het gemaal was een belasting op het graan dat gemalen zou worden.
47 OSA, no. 841 (xeroxcopie) 203, 204.
48 OSA, no. 841 (xeroxcopie) 391 e.v. De waarde van hun plaatsen werd geschat op 4500, resp. 5200 gulden. 
49 OAGG, no. 332r, Stadsrekening 1630, 91 e.v.
50 Archief Heilige Geestgasthuis, `Reeckeninghe van entfanck ende wthgave wegen hill. geests gasthuis voor het jaar 1632', 38.
51 OSA, no. 303,a.
52 OSA, no. 303, b en c. 
53 OSA, no. 305,6.
54 OSA, no. 303,1 en m. 
55 OSA, no. 303,1.
56 OSA, no. 309. 
57 OSA, no. 1167. 
58 OSA, no. 1167. 
59 OSA, no. 1166. 
60 OSA, no. 1167. 
61 OSA, no. 1170.
62 OSA, no. 1171. Van Drentse zijde werd in 1681 een tol geheven op de uitvoer van turfvan tien stuivers per schuit.
63 OSA, no. 1171.
64 De schuitenschuivers woonden aanvankelijk buiten de stadsmuren, maar na de uitleg van de stad in de zeventiende eeuw verkreeg een groot aantal leden burgerrecht.
65 OAGG, no. 332r, Stadsrekening 1620, 40 e.v. 
66 OAGG, no. 332r, Stadsrekening 1624, lii e.v. 
67 OAGG, no. 332r, Stadsrekening 1630, 91 e.v. 
68 OAGG, no. 332r, Stadsrekening 1642, 142 e.v. 
69 OAGG, no. 416r, 59.
70 OAGG, no. 332r, Stadsrekening 1648, 166 e.v. 
71 OAGG, no. 332r, Stadsrekening 1654, 119 e.v. 
72 OAGG, no. 332r, Stadsrekening 1668, 115 e.v. 
73 OAGG, no. 332r, Stadsrekening 1672, 114 e.v. 
74 OAGG, no. 412r, 27v.
75 OAGG, no. 332r, Stadsrekening 1688, 115 e.v. 
76 OAGG, no. 332r, Stadsrekening 1692, 119 e.v. 
77 OSA, no.'s 868 en 869 (xeroxcopie)XXXVIII.
78 De sterke daling van het aantal volle boeren vond in geheel Drenthe plaats. 
79 OSA, no.'s 868 en 869 (xeroxcopie)XXXVIII.
80 Vermoedelijk zijn deze getallen nog aan de lage kant. De gemiddelde gezinsgrootte in het dingspil Oostermoer bedroeg in 1630 bijna 5,8. De hier genoemde getallen zijn gebaseerd op het gemiddeld aantal personen per woning in geheel Drenthe in 1630. Zie J. Heringa, 'De bevolking van Drenthe in 1630', N.D. VA. 1977, 60,6 1. 
81 Resp. 3 en 9 in 1672, 1I en 5 in 1692, 7 en 3 in 1743 en 6 en 0 in 1764.
82 Gebaseerd op het aantal haardsteden gedeeld door de totale belastingsom. 
83 OSA, no.'s 868 en 869 (xeroxcopie)XXXVIII.
84 A. S. De Blécourt, Het stadsmeierrecht in de Groninger veenkolonién (Zutphen, 1907), bijlagen.
85 Op 2 september 1697 werd besloten dat de Raad zorg zou dragen voor de verkoop van de aan de stad toebehorende venen van Kropswolde, Wolfsbarge, Zuidlaren en Annen en van de Gaarvenen.
86 Inventaris van de kaarten op het Gemeentearchief in Groningen, no. 712g. 
87 OSA, no. 305, h; Register Feith, VIT 1713, no. 30, 1710 no. 20.
88 Deze grenskwestie werd na de verkoop van de stadsvenen in 1713 tot een voorlopige oplossing gebracht. Zie OSA, no. 303, 1.
89 M.J.M. De Grauw en J.D. Jansen, Verzameling van losse publikaties, plakkaten e.d., aanwezig in het Rijksarchief in Drenthe (Assen, 1976, getypt) no. 31.
90 Ibidem, no. 52.
91 Register Feith, V11 1713, no. 30. 
92a Keuning, Veenkoloniën, 48, 49. 
92b' 'vingti octo portiones seu particiones qui valugariter were dicuntur, ad aquilonarem partem grangie in Everdeswalda' (OBGD 1, no. 135).
93Van 1595 tot 1597 door Abel Roelofs Hoving (SvSL, no.'s 2307-2309). 
94 Topografische kaart van Nederland, schaal 1:25000, blad 12 E, verkend in 1968.
95 Volgens de kadastrale opmetingen van 1832 lag er toen 2,66 ha. bos rond de hoeve. Op de bijbehorende kaart is een rechthoekige sloot of gracht te zien bij de Aduarderhof. W. Zwaan, Kaarten in het Rijksarchief Drenthe (1975) Topografische Atlas, no. 356; Archiefvan het kadaster in de provincie Drenthe, inv.no. 57, perceel D 164.
96 Goorspraken, 11376.
97 OSA, no. 841 (xeroxcopie)391 e.v.
98 OAGG, no. 332r, Stadsrekening 1630, 91 e.v.
99 Met de hof wordt in de registers van de grondschatting vermoedelijk het erf zonder het huis bedoeld, vooral de moestuin, de bomen etc. De waarde van het huis op de Aduarderhof werd bepaald op f 268,-, de waarde van de hof op f 275.-. De op één na hoogst gewaardeerde hof, die van Gosen Jans Oldenziel werd gewaardeerd op 'slechts' ƒ 150.
100 Doop-, trouw-, overlijdens- en begraafregisters in de provincie Drenthe van voor 1811, no. 128; Schaduwarchief DTOB(xeroxcopie) no. 168, 130. Deze archieven bevinden zich in het Rijksarchief in Drenthe. Wier(d)inge was een geslacht van volle boeren uit Zuidlaren, zie OSA, no.'s 868 en 869(exroxcopie)5114, 5121. In 1694 waren er twee vierpaardsboeren te Zuidlaren met de geslachtsnaam Tammink, zie OSA, no.'s 868 en 869 (xeroxcopie)5164.
101 Dat de families Gortmaker en Mulder identiek zijn, blijkt o.a. uit het Register van hypothecaire overschrijving, deel 423, art. 95, aanwezig op het Kadasterkantoor in Assen. Daarin is sprake van `de vroeger overledene Jan Mulder, ter zake van zijn beroep ook genaamd Jan Gortmaker, welke naam ook in de kadastrale stukken voorkomt, in leven grutter en landbouwer van beroep, overleden te Vries.'
102 Register van hypothecaire overschrijving, XLIV, art. 38 (Kadaster Assen).
103 Het wordt gekocht door Lukas Enting, zie Register van hypothecaire overschrijving, deel 433, art. 21; deel 760, art. 5(Kadaster Assen).